HR 9 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1007
Openlijke geweldpleging (art. 141.1 Sr). Dient relaas van “de auditu-verklaring” van onbekende centralist over wat onbekende “112-melder” heeft gezegd te worden aangemerkt als anonieme verklaring a.b.i. art. 344a.3 Sv? HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:1999:ZD1460 m.b.t. motiveringsplicht rechter ex art. 360.1 Sv t.a.v. gebruik voor bewijs van schriftelijk bescheid houdende verklaring van persoon wiens identiteit niet blijkt a.b.i. art. 344a.3 Sv en uit ECLI:NL:HR:2002:AE1195 m.b.t. betekenis van term “persoon wiens identiteit niet blijkt”. Hof heeft voor bewijs gebruikt p-v van bevindingen houdende weergave door verbalisanten van door centralist van operationeel centrum van politie verstrekte informatie, van welke centralist persoonsgegevens niet in dat p-v zijn opgenomen. Desbetreffende informatie houdt o.m. in dat centralist verslag doet over melding van (mogelijk) onbekend gebleven persoon. Hof is kennelijk en niet onbegrijpelijk ervan uitgegaan dat niet is gebleken dat identiteit van die persoon niet bij politie kan worden achterhaald. Gelet daarop heeft hof kunnen oordelen dat die centralist zodanig kan worden geïndividualiseerd dat verdediging desgewenst zijn verhoor als getuige kon verzoeken - zo nodig ook over identiteit van degene die informatie aan operationeel centrum heeft verstrekt - en dat dus geen sprake is van verklaring van persoon wiens identiteit niet blijkt a.b.i. art. 344a.3 Sv. Mogelijkheid dat p-v van bevindingen verklaring bevat van centralist over wat deze van onbekend gebleven persoon heeft vernomen, doet hieraan niet af (vgl. ECLI:NL:HR:2004:AQ8925). Volgt verwerping. CAG: anders.
De uitspraak op rechtspraak.nl