HR 9 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:563

Rijden terwijl verdachte wist dat rijbewijs ongeldig was verklaard (meermalen gepleegd), art. 9.2 WVW 1994. 1. Onbekendheid van verdachte met tz. in e.a. Art. 409.4 Sv nageleefd? 2. Inleidende dagvaardingen in gevoegde zaken rechtsgeldig betekend? Ad 1. Indien OvJ h.b. instelt tegen vonnis waarbij verdachte bij verstek van gehele tll. is vrijgesproken, inleidende dagvaarding niet in persoon aan verdachte is betekend en zich ook geen andere omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat dag van tz. in e.a. verdachte tevoren bekend was, geschiedt inzending van stukken van het geding aan gerechtshof eerst nadat h.b. aan verdachte in persoon is betekend (art. 409.4 Sv). Heeft inzending van stukken ten onrechte plaatsgevonden, dan wordt aan ingesteld beroep pas gevolg gegeven - dat wil zeggen dat dagvaarding of behandeling van zaak in h.b. eerst plaatsvindt - nadat h.b. aan verdachte in persoon is betekend. I.c. is bestreden uitspraak bij verstek gewezen en kan uit aan HR gezonden stukken niet worden afgeleid dat inleidende dagvaarding in twee zaken in persoon is uitgereikt noch dat zich andere omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat dag van tz. verdachte tevoren bekend was. Ook kan uit stukken niet worden afgeleid dat door OvJ in die zaken ingesteld h.b. aan verdachte in persoon is betekend. Gelet op dit procesverloop had Hof ervan blijk moeten geven te hebben onderzocht of art. 409.4 Sv is nageleefd, alvorens de behandeling van h.b. voort te zetten. Ad 2. Inleidende dagvaarding in zaak A is tevergeefs aangeboden op GBA-adres verdachte, vervolgens retour gezonden naar CVOM en niet uitgereikt aan griffier, terwijl zich bij stukken geen betekeningsstukken m.b.t. inleidende dagvaarding in zaak B bevinden. In bestreden uitspraak ligt als ’s Hofs oordeel besloten dat betekening inleidende dagvaardingen rechtsgeldig heeft plaatsgevonden. HR: Op gronden vermeld in CAG, is klacht terecht voorgesteld. CAG: Uit stukken van het geding blijkt niet van rechtsgeldige betekening van inleidende dagvaardingen. T.a.v. dagvaarding in zaak A houden stukken immers niet in dat dagvaarding na terugzending overeenkomstig art. 588.3.c Sv is uitgereikt aan griffier en evenmin dat (vervolgens) afschrift van dagvaarding is verzonden aan GBA-adres van verdachte. Wat betreft inleidende dagvaarding in zaak B houden stukken niets in waaruit blijkt dat zelfs maar is gepoogd deze aan verdachte te betekenen. In aanmerking genomen dat verdachte ttz. in h.b. niet is verschenen, dagvaarding in h.b. hem niet in persoon is betekend en niet blijkt dat zich omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat dag van tz. verdachte tevoren bekend was, had Hof aan gebrekkige betekening van inleidende dagvaardingen gevolgen moeten verbinden. HR verklaart de inleidende dagvaardingen nietig.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken