HR 2 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:487

Beklag, beslag ex art. 94 Sv op vordering van klaagster (Amerikaans factoringsbedrijf) t.b.v. telecombedrijf A (verdacht van witwassen) van bijna $ 22 miljoen USD op Engels telecombedrijf B. OM-cassatie. Hoogst onwaarschijnlijk dat strafrechter vordering verbeurd zal verklaren? HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2010:BL2823 m.b.t. toepasselijke maatstaf of belang van strafvordering zich verzet tegen teruggave en summier karakter van onderzoek in raadkamer. Rb heeft klaagschrift gegrond verklaard en daartoe overwogen dat voorwerpen (waaronder ook vorderingen worden verstaan) a.b.i. art. 33a.1 Sr, die niet aan veroordeelde toebehoren, alleen verbeurdverklaard kunnen worden indien degene aan wie zij toebehoren bekend was met hun verkrijging d.m.v. strafbaar feit of met gebruik of bestemming in verband daarmede, dan wel die verkrijging, dat gebruik of die bestemming redelijkerwijs had kunnen vermoeden en dat o.g.v. het dossier zoals dat voorligt, niet gezegd kan worden dat daarvan in dit geval sprake is. Daartoe heeft Rb overwogen dat klaagster heeft uitgelegd hoe de in de ogen van OM verdacht geachte omstandigheden t.a.v. haar bedrijfsvoering moeten worden geduid en aldus de bedenkingen van OM op dit punt afdoende kunnen ontkrachten, alsmede dat het dossier verder onvoldoende aanknopingspunten bevat dat, v.zv. sprake is van witwassen door A, klaagster daar wetenschap van had of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat de praktijk van A niet door de beugel kon. Hiermee heeft Rb miskend dat het onderzoek in raadkamer summier en voorlopig karakter draagt en dat zij niet ten gronde mag treden in mogelijke uitkomst van nog te voeren procedure in hoofd- of ontnemingszaak. Volgt vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 17/02082 B.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken