HR 26 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:436

Beklag ex art. 552uu jo. 552a Sv, beslag ex art. 94a Sv onder klaagster (Hongaars rechtspersoon die wellness centrum exploiteert in Hongarije) op zestal haar toebehorende onroerende zaken t.b.v. verhaal van aan A (medeaandeelhouder en medebestuurder van klaagster) op te leggen ontnemingsmaatregel. Verhaalsfrustratie door A en wetenschap daarvan bij klaagster? Rb heeft vastgesteld dat A een bedrag van (in ieder geval) € 528.000 heeft geïnvesteerd in klaagster en kennelijk geoordeeld dat zich de situatie van (thans) art. 94a.4 Sv voordoet, te weten dat voldoende aanwijzingen bestaan dat de onroerende zaken waarop conservatoir beslag is gelegd aan klaagster zijn gaan toebehoren met het kennelijke doel om de uitwinning van aan A toebehorende voorwerpen (waaronder volgens art. 94a.6 Sv ook worden verstaan vermogensrechten) te bemoeilijken of te verhinderen en dat klaagster dit wist of redelijkerwijs kon vermoeden. Dat oordeel behoeft nadere motivering, nu uit de door de Rb in aanmerking genomen omstandigheden dat (i) A een van de oprichters en sindsdien een van de aandeelhouders en bestuurders van klaagster is, (ii) A bij rechterlijke uitspraken is veroordeeld wegens overtreding van de Opiumwet en hem een ontnemingsmaatregel van € 496.000 is opgelegd, (iii) aannemelijk is dat de (deels contante) investeringen van A in klaagster voor een aanmerkelijk deel uit misdrijf afkomstig zijn en (iv) de wetenschap van A, o.m. m.b.t. de inhoud van voormelde uitspraken, kan worden toegerekend aan klaagster, niet z.m. volgt dat voldoende aanwijzingen bestaan dat A de investeringen in klaagster heeft gedaan met het kennelijke doel de uitwinning daarvan te bemoeilijken of te verhinderen en dat klaagster dit wist of redelijkerwijs kon vermoeden. Volgt vernietiging en terugwijzing.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen