HR 8 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:24

Vervolgingsuitlevering opgeëiste persoon (Marokkaanse nationaliteit) naar Marokko t.z.v. verduistering van gemeenschapsgeld en privégelden die hem in bewaring zijn gegeven o.g.v. zijn functie als thesaurier op douanekantoor, vervalsen van documenten uitgegeven door overheid en valsheid in geschrift m.b.t. informatica documenten. Mag Rb bij beoordeling uitleveringsverzoek verdragsgrondslag wijzigen? Kennelijk en terecht heeft Rb geoordeeld dat verdrag genoemd in uitleveringsverzoek (Verdrag betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko) geen basis biedt voor uitlevering. Zij heeft nochtans de uitlevering toelaatbaar verklaard o.g.v. het in art. 51a.2 Uitleveringswet genoemde Verdrag tegen corruptie. Middel steunt op de opvatting dat de toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering uitsluitend mag worden beoordeeld op de grondslag van het verdrag dat door de verzoekende Staat in het uitleveringsverzoek is vermeld en dat Rb daarom de verzochte uitlevering ten onrechte mede heeft getoetst aan Verdrag tegen corruptie. Deze opvatting vindt echter geen steun in het recht. Volgt verwerping.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen