HR 10 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1890
Medeplegen bedreiging met terroristisch misdrijf door kort na aanslagen in Parijs in 2015 alarmcentrale 112 te bellen en daarbij dreigende woorden te uiten, waardoor bij autoriteiten enorme onrust ontstaat die leidt tot grootschalige inzet van politie en andere openbare diensten, art. 285.3 Sr. Is bij die dreiging ook terroristisch oogmerk vereist? Uit bewoordingen van art. 285.3 Sr en wetsgeschiedenis volgt dat voor veroordeling o.g.v. die bepaling toereikend is dat wordt gedreigd met terroristisch misdrijf (misdrijf a.b.i. art. 83 Sr). Niet is vereist dat bedreiging zelf met terroristisch oogmerk plaatsvindt. Het voorgaande laat onverlet dat voor bewezenverklaring van in art. 285 Sr strafbaar gestelde vormen van bedreiging steeds ook is vereist dat bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij bedreigde in redelijkheid vrees kon ontstaan dat misdrijf waarmee wordt gedreigd ook zou worden uitgevoerd alsmede dat opzet van verdachte op wekken van die vrees was gericht. Uit eis dat wordt gedreigd met terroristisch misdrijf volgt dat het bij dit dreigen om een van in art. 83 Sr genoemde misdrijven moet gaan. V.zv. uit art. 83 Sr volgt dat terroristisch misdrijf in art. 83a Sr omschreven terroristisch oogmerk vereist, brengt die omstandigheid echter niet mee dat verdachte van in art. 285.3 Sr bedoelde bedreiging met terroristisch misdrijf zelf ook met dit terroristische oogmerk moet hebben gehandeld. Wel is vereist dat bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij bedreigde in redelijkheid vrees kon ontstaan (a) dat misdrijf waarmee wordt gedreigd terroristisch misdrijf betreft en (b) dat dit misdrijf ook zou worden uitgevoerd. Gelet op omschrijving van terroristisch oogmerk in art. 83a Sr brengt dit voor terroristische misdrijven die dit oogmerk vereisen mee dat voor veroordeling wegens bedreiging met zo’n terroristisch misdrijf is vereist dat uit bewijsvoering blijkt dat bij bedreigde in redelijkheid vrees kon ontstaan dat misdrijf dat zou worden uitgevoerd erop was gericht (i) bevolking of deel van bevolking van land ernstige vrees aan te jagen dan wel (ii) overheid of internationale organisatie wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden dan wel (iii) fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van land of internationale organisatie ernstig te ontwrichten of vernietigen. Daarnaast is voor zo’n veroordeling vereist dat (voorwaardelijk) opzet van verdachte erop was gericht deze vrees te laten ontstaan. ’s Hofs in beslissing besloten liggend oordeel dat aan deze vereisten is voldaan, geeft, mede gelet op bewoordingen die in verschillende in bewezenverklaring weergegeven telefoongesprekken zijn gebruikt en door Hof vastgestelde omstandigheden - waaronder omstandigheid dat telefoongesprekken plaatsvonden 3 dagen nadat in Parijs verschillende bloedige aanslagen hadden plaatsgevonden waarbij vele tientallen doden vielen, naar welke aanslagen in die telefoongesprekken onmiskenbaar werd verwezen - niet blijk van onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping.
De uitspraak op rechtspraak.nl