HR 26 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1857
Poging tot moord, art. 289 Sr. Vordering b.p. Proceskosten b.p., art. 592a Sv. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2019:793 m.b.t. begroting van proceskosten, taak van strafrechter, ontbreken van motiveringsplicht en te hanteren maatstaf. Hof heeft in overeenstemming met zijn (ambtshalve) taak daartoe, beslist over door b.p. gemaakte proceskosten en deze begroot op € 4.000,-. Gelet op de omstandigheid dat Hof een gedeelte van de vordering tot b.p. heeft toegewezen en dat het die vordering voor het overige niet heeft afgewezen maar n-o heeft verklaard, is ’s Hofs oordeel dat b.p. aanspraak had op vergoeding van zijn proceskosten niet onbegrijpelijk. Evenmin is onbegrijpelijk dat en de wijze waarop Hof bij begroting van die proceskosten ‘liquidatietarief rechtbanken en hoven’ tot uitgangspunt heeft genomen. Het enkele feit dat b.p. op t.b.v. voeging in e.a. ingediend formulier had opgegeven dat door hem gemaakte en te maken proceskosten € 2.500,- zouden bedragen, maakt dat niet anders. Tot een nadere motivering was Hof niet gehouden. Volgt verwerping. CAG: anders.
De uitspraak op rechtspraak.nl