HR 29 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1464
Lokaalvredebreuk door overtreding winkelverbod van supermarkt, art. 138.1 Sr. HR stelt voorop dat de strekking van art. 138.1 Sr meebrengt dat als ‘binnendringen’ i.d.z.v. deze bepaling moet worden beschouwd het betreden van een woning, besloten lokaal of erf, bij een ander in gebruik, indien degene die zich daarin of daarop begeeft, zulks doet tegen de voor hem - hetzij door een verklaring van de rechthebbende, hetzij op grond van enige andere omstandigheid - onmiskenbare wil van de rechthebbende. Door toevoeging van het woord ‘wederrechtelijk’ is buiten twijfel gesteld dat het binnentreden – ook al geschiedt dit tegen de wil van de rechthebbende – niet strafbaar is indien dit uit andere hoofde gerechtvaardigd zou zijn. Het betreden van een winkel nadat aan betrokkene een schrijven is uitgereikt met de strekking dat hem de toegang daartoe is ontzegd, levert i.b. wederrechtelijk binnendringen a.b.i. art. 138.1 Sr op. Bijzondere omstandigheden kunnen tot een ander oordeel nopen. (Vgl. ECLI:NL:HR:2010:BM5282.) Van een dergelijke omstandigheid is sprake in het geval de rechter aannemelijk heeft geoordeeld dat het desbetreffende winkelverbod onrechtmatig is. Of het opleggen van een winkelverbod onrechtmatig is, wordt beheerst door het burgerlijk recht, in het bijzonder het eigendomsrecht of het met de eigenaar overeengekomen contractuele gebruiksrecht van de winkelier. Een uit het eigendomsrecht voortvloeiend gebruiksrecht is op grond van art. 5:1.2 BW in beginsel exclusief. Dit recht vindt echter zijn beperking in de rechten van anderen, alsmede in wettelijke voorschriften en regels van ongeschreven recht. De vraag of de oplegging van een winkelverbod de uit zijn eigendoms- of gebruiksrecht voortvloeiende vrijheid van de winkelier overschrijdt, laat zich niet in het algemeen beantwoorden, maar is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Niet is vereist dat het winkelverbod zijn grond vindt in een geconstateerd strafbaar feit, ook voldoende ernstige vormen van overlast kunnen daarvoor grond geven. Indien het gaat om een voor een algemeen publiek toegankelijke winkel zal een in strijd met het discriminatieverbod of een kennelijk willekeurig opgelegd winkelverbod niet rechtmatig zijn. De in het middel tot uitgangspunt genomen opvatting dat de oplegging van een winkelverbod alleen rechtmatig is wanneer aan de in een brief van de Minister van Justitie aan de voorzitter van de Tweede kamer van 29 september 2004 genoemde voorwaarden voor een winkelverbod is voldaan, waaronder de voorwaarde dat het winkelverbod alleen kan worden uitgevaardigd bij betrapping op heterdaad van een strafbaar feit, is gelet op het voorgaande onjuist. Volgt verwerping.
De uitspraak op rechtspraak.nl