HR 1 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1419
Bezwaarschrift tegen dagvaarding t.z.v. verdenking van valselijk opmaken en gebruik maken van brief m.b.t. arbeids- en rusttijden van buitenlandse werknemers bij aanleg tunnel (art. 225.1 Sr), art. 262 Sv. 1. Ongegrondverklaring bezwaarschrift. 2. Behandeling van bezwaarschrift tegen dagvaarding en beschikking op dit bezwaar in strijd met art. 22.1 en 24.1 Sv in openbaar plaatsgevonden en uitgesproken? HR: art. 81.1 RO en t.a.v. openbaarheid behandeling en uitspraak verwijzing naar ECLI:NL:HR:2019:1410. Samenhang met 17/04400 B en 17/05974 B.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Tekst
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 17/05983
Datum 1 oktober 2019
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 21 augustus 2017, nummer AVNR 000642-17, op een bezwaarschrift als bedoeld in art. 262 Sv, ingediend
door
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964,
hierna: de verdachte.
1 Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft N. van der Laan, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2 Beoordeling van de middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO – en wat betreft het tweede middel de heden uitgesproken beschikking in de zaak 17/04400, ECLI:NL:HR:2019:1410 – geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink, A.L.J. van Strien, M.J. Borgers en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 oktober 2019.