HR 12 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:893
Medeplegen telen hennep door voor onbekend gebleven exploitant van hennepkwekerij hennepplanten tegen betaling regelmatig water te geven, art. 3.B Opiumwet. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2014:3474, ECLI:NL:HR:2015:718 en ECLI:NL:HR:2016:1316 m.b.t. motiveringsplicht voor rechter indien medeplegen niet bestaat uit gezamenlijke uitvoering. Hof heeft vastgesteld dat (i) verdachte met een ander heeft afgesproken de taak op zich te nemen om de in de hennepkwekerij aanwezige hennepplanten water te geven en bij te houden, (ii) verdachte met die ander heeft afgesproken dat hij voor het uitvoeren van zijn taak een vergoeding van € 500,- per week ontvangt, en (iii) verdachte de op zich genomen taak heeft uitgevoerd door mede tezamen met - de door hem ingeschakelde - A op verschillende tijdstippen in de pleegperiode de in de hennepkwekerij aanwezige hennepplanten met water te bevloeien. Het daarop gebaseerde oordeel dat verdachte aldus een bijdrage van voldoende gewicht aan het telen van hennepplanten heeft geleverd en derhalve nauw en bewust heeft samengewerkt met anderen zodat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het bewezenverklaarde medeplegen van het telen van hennepplanten, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. V.zv. het middel berust op de opvatting dat voor de bewezenverklaring van medeplegen is vereist dat het gewicht van de bijdrage van verdachte gelijkwaardig is aan dat van zijn mededader(s), vindt het geen steun in het recht. Volgt verwerping.
De uitspraak op rechtspraak.nl