HR 5 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:833
Feitelijk leiding geven aan oplichting begaan door rechtspersoon A (meermalen gepleegd) door groot aantal mensen te bewegen tot investeringen in niet-bestaande teakhoutplantages, opzettelijk zonder vergunning bemiddelen m.b.t. participatie in teakhoutplantages (meermalen gepleegd) en feitelijk leiding geven aan opzettelijk zonder vergunning aanbieden van participatie in teakhoutplantages begaan door rechtspersoon A (meermalen gepleegd). 1. Volstaan met opgave b.m. ex art. 359.3 Sv. Bekennende verklaring verdachte? 2. Vordering b.p. “de erven van B”, art. 51f Sv. 3. Totale duur vervangende hechtenis bij schadevergoedingsmaatregelen, art. 24c.3, 36f.5 en 60a Sr. Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2006:AX5776 en ECLI:NL:HR:2015:1342 m.b.t. gevallen waarin kan worden volstaan met opgave b.m. ’s Hofs oordeel dat verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend i.d.z.v. art. 359.3 tweede volzin Sv is niet onbegrijpelijk, mede in aanmerking genomen het p-v tz. in h.b. waaruit blijkt dat de verdediging de door de Rb gebezigde bewijsvoering niet heeft bestreden, de raadsman de verklaring van verdachte inzake A heeft aangeduid als bekennende verklaring en ook verdachte heeft verklaard slechts in beroep te zijn gekomen vanwege de veroordeling voor feit 2, waarvan Hof verdachte heeft vrijgesproken. Ad 2. V.zv. Hof heeft geoordeeld dat de door de erfgenamen C en D ingediende vordering moet worden aangemerkt als een vordering tot schadevergoeding van de erflater, heeft Hof miskend dat art. 51f.1 Sv inhoudt dat enkel degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit zich t.z.v. zijn vordering tot schadevergoeding als b.p. kan voegen in het strafproces. V.zv. Hof heeft geoordeeld dat C en D als erfgenamen hun onder algemene titel verkregen vordering hebben ingediend, heeft Hof miskend dat art. 51f Sv niet de mogelijkheid opent dat erfgenamen zich in het strafproces voegen na het overlijden van het slachtoffer, behoudens in het zich hier niet voordoende geval dat het slachtoffer t.g.v. het bewezenverklaarde is overleden (vgl. ECLI:NL:HR:2005:AS9225). Hof had b.p. "de erven van B" n-o dienen te verklaren in haar vordering. Volgt n-o verklaring van b.p. door HR. De omstandigheid dat de in art. 51f.1 Sv bedoelde persoon (“degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit”) is overleden, staat niet in de weg aan oplegging van de schadevergoedingsmaatregel "t.b.v. het slachtoffer" (vgl. ECLI:NL:HR:2010:BL9105). Ad 3. Vervangende hechtenis mag i.g.v. samenloop a.b.i. art. 57 Sr o.g.v. art. 60a jo. 24c.3 Sr ten hoogste een jaar bedragen. Hof heeft schadevergoedingsmaatregelen opgelegd met in totaal 1.132 dagen vervangende hechtenis. HR vermindert duur vervangende hechtenis in die zin dat is voldaan aan wettelijk maximum. Samenhang met 16/03694 P.
De uitspraak op rechtspraak.nl