HR 29 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:788

Aanwezigheidsrecht, detentie uit anderen hoofde gebleken uit in cassatie overgelegde stukken. Appeldagvaarding is in persoon aan verdachte uitgereikt. P-v van de tz. in h.b. houdt in dat verdachte aldaar niet is verschenen, dat raadsvrouwe van verdachte heeft verklaard niet uitdrukkelijk door verdachte te zijn gemachtigd de verdediging te voeren, dat verstek is verleend en dat onderzoek ttz. heeft plaatsgevonden en is gesloten. Uit aan de cassatieschriftuur gehechte stukken - aan de herkomst en betrouwbaarheid waarvan in redelijkheid niet behoeft te worden getwijfeld - moet worden afgeleid dat verdachte t.t.v. de behandeling van zijn strafzaak in h.b. i.v.m. een andere zaak was gedetineerd, zodat ‘s Hofs beslissing om tegen verdachte verstek te verlenen en het onderzoek ttz. voort te zetten, achteraf bezien onjuist was. Volgt vernietiging en terugwijzing.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen