HR 17 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:626

Betekening inleidende dagvaarding, art. 588.1.b.3 Sv. Is het bij het eerste politieverhoor opgegeven verblijfadres van verdachte achterhaald door latere opgave ander adres en daaropvolgende vermelding "Vertrokken Onbekend Waarheen"? Inleidende dagvaarding is tevergeefs aangeboden op door verdachte opgegeven postadres van Leger des Heils en vervolgens uitgereikt aan griffier, omdat van verdachte geen woon- of verblijfplaats bekend is. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2002:AD5163 m.b.t. omstandigheden waaronder kan worden aangenomen dat van verdachte geen feitelijke woon- of verblijfplaats bekend is. In de bestreden uitspraak ligt als ’s Hofs oordeel besloten dat de inleidende dagvaarding rechtsgeldig is betekend. In aanmerking genomen dat in de ID-staat SKDB het adres A is vermeld als laatst opgegeven woon- of verblijfplaats met als datum registratie 2 juni 2014 en gelet op het feit dat verdachte bij gelegenheid van zijn eerste verhoor door de politie op 9 november 2013 weliswaar het adres B heeft opgegeven als verblijfadres, maar daarbij vermeld heeft dat hij binnenkort een aantal bezichtigingen heeft, heeft het Hof kennelijk geoordeeld dat dit door verdachte opgegeven adres niet meer behoefde te worden aangemerkt als een uit de stukken blijkend adres dat redelijkerwijs als feitelijke woon- of verblijfplaats van verdachte zou kunnen gelden, nu het was achterhaald door latere opgave, die door het Hof kennelijk is opgevat als door verdachte zelf gedaan te weten door opgave van adres A en de daaropvolgende vermelding "Vertrokken Onbekend Waarheen". Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk (vgl. ECLI:NL:HR:2017:2405). HR verwijst de zaak naar de rolzitting opdat AG zich alsnog kan uitlaten over voorgestelde middelen voor het overige. CAG: anders.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde uitspraken