HR 10 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1153
Aanwezigheidsrecht, dubbel verstek. Mocht toezending van afschrift appeldagvaarding naar in appelakte opgegeven adres achterwege blijven door handgeschreven opgave van ander adres in aan appelakte gehecht grievenformulier? De vermelding van het adres A in de appelakte kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als de opgave van een adres in de zin van art. 588a.1.c Sv waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden. Uit de enkele omstandigheid dat verdachte in het grievenformulier een ander adres heeft opgegeven, kon Hof niet z.m. afleiden dat verdachte het adres A niet wenste te handhaven als adres waar hij een afschrift van de appeldagvaarding wenste te ontvangen. Uit de stukken van het geding blijkt niet dat een afschrift van de appeldagvaarding aan dit adres is toegezonden, zodat ervan moet worden uitgegaan dat dit niet is geschied. Evenmin houden de stukken iets in waaruit kan volgen dat die verzending ingevolge art. 588a.3 Sv achterwege kon blijven. Daarom had Hof ervan blijk moeten geven te hebben onderzocht of er reden was het onderzoek ttz. te schorsen teneinde verdachte in de gelegenheid te stellen alsnog bij het onderzoek op de tz. tegenwoordig te zijn. Van een zodanig onderzoek blijkt niet. Dat verzuim leidt tot nietigheid van het onderzoek ttz. in h.b. en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak (vgl. ECLI:NL:HR:2012:BX4736). Volgt vernietiging en terugwijzing. Vervolg op ECLI:NL:HR:2018:626.
De uitspraak op rechtspraak.nl