HR 17 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:612
OM-cassatie. Het niet voldoen aan de verplichting om medewerking te verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken, hem opgelegd krachtens het WvSv, art. 447e Sr. O.g.v. art. 55c.2 en 3 Sv komt – onder de in die bepaling gestelde voorwaarden – aan de ambtenaren a.b.i. in art. 55c.1 Sv o.m. de bevoegdheid toe vingerafdrukken te nemen van een verdachte met het oog op het vaststellen van zijn identiteit. Anders dan bijv. art. 29c Sv houdt art. 55c.2 en 3 Sv niet in dat door opsporingsambtenaren een bevel tot medewerking aan verdachte wordt gegeven. Wel kan verdachte worden gedwongen de feitelijke toepassing van deze bevoegdheid te dulden. Dit sluit aan bij de wettelijke regeling van de voorheen bestaande bevoegdheid tot het nemen van vingerafdrukken van art. 61a.1.b (oud) Sv en de daarop betrekking hebbende wetsgeschiedenis. Art. 55c.2 en 3 Sv houdt derhalve geen wettelijke verplichting tot medewerking in. De aan het middel ten grondslag liggende opvatting dat art. 55c.2 en 3 Sv voor verdachte of veroordeelde een verplichting bevat tot medewerking aan het nemen van vingerafdrukken, hem opgelegd krachtens het WvSv, vindt geen steun in het recht. Het niet-medewerken aan het afnemen van vingerafdrukken o.b.v. art. 55c.2 en 3, Sv is derhalve niet een gedraging die strafbaar is gesteld bij art. 447e Sr. Volgt verwerping.
De uitspraak op rechtspraak.nl