HR 6 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:306
Medeplegen voorbereidingshandelingen invoer cocaïne, art. 10a Opiumwet. Strafmotivering. Moet bij strafoplegging ex art. 63 Sr rekening worden gehouden met eerdere Deense veroordeling, die o.b.v. Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties in Nederland ten uitvoer wordt gelegd? Het staat de rechter vrij een eerdere, in een andere lidstaat van de EU uitgesproken veroordeling bij de straftoemeting in aanmerking te nemen. Indien bij een buitenlandse rechterlijke beslissing aan verdachte straf is opgelegd, levert die strafoplegging niet een veroordeling op a.b.i. art. 63 Sr (vgl. ECLI:NL:HR:2009:BG9198). Art. 3 kaderbesluit nr. 2008/675/JBZ betreffende de wijze waarop bij een nieuwe strafrechtelijke procedure rekening wordt gehouden met veroordelingen in andere lidstaten van de EU noopt, mede o.g.v. de wetsgeschiedenis, niet tot een ander oordeel indien het een rechterlijke beslissing betreft die in een andere lidstaat van de EU is genomen. Ook de door het middel aangevoerde omstandigheid dat de aan verdachte in Denemarken opgelegde gevangenisstraf o.g.v. WETS grotendeels in Nederland ten uitvoer wordt gelegd, brengt niet met zich dat i.c. art. 63 Sr van toepassing is. Volgt verwerping.
De uitspraak op rechtspraak.nl