HR 23 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:289

Vervolgingsuitlevering opgeëiste persoon (Poolse nationaliteit) naar Oekraïne t.z.v. drugsdelicten. Bevoegdheidstoedeling aan uitleveringsrechter en Minister. 1. Beroep op dreigende schending art. 19.2 Handvest grondrechten EU op de grond dat opgeëiste persoon bij uitlevering aan Oekraïne reëel gevaar loopt onmenselijk of vernederend te worden behandeld. 2. Verzoek tot aanhouding behandeling uitleveringsverzoek teneinde bij Poolse autoriteiten te informeren of zij voornemens zijn om Europees aanhoudingsbevel uit te vaardigen. 3. Onvoldoende duidelijke vermelding feiten, art. 28.3 UW. Ad 1. Rb heeft verweer opgevat als beroep op dreigende schending art. 3 EVRM alsmede als beroep op dreigende schending art. 6 EVRM. Deze - aan de feitenrechter voorbehouden - uitleg is niet onbegrijpelijk, mede in aanmerking genomen dat toelichting bij art. 19.2 Handvest inhoudt dat die bepaling correspondeert met art. 3 EVRM. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2017:463 m.b.t. bevoegdheidstoedeling aan rechter en Minister t.a.v. beroep op dreigende inbreuk op fundamentele rechten a.b.i. art. 3 EVRM en dreigende inbreuk op fundamentele rechten in art. 6 EVRM. Rb heeft overwogen dat uitleveringsrechter slechts kan oordelen over een beroep op een voltooide schending van art. 3 EVRM en dat van zo’n schending geen sprake is. Voorts heeft Rb t.a.v. beroep op een dreigende schending van art. 6 EVRM overwogen dat niet kan worden vastgesteld dat sprake is van een dreigende flagrante schending van het recht op een eerlijk proces noch dat opgeëiste persoon daartegen geen rechtsmiddel a.b.i. art. 13 EVRM ten dienste staat, terwijl het bij een beroep op een dreigende - niet flagrante - schending van art. 6 EVRM niet aan uitleveringsrechter is te oordelen over de gegrondheid van zo’n beroep. Oordeel Rb geeft, in het licht van bevoegdheidstoedeling aan rechter en Minister, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd, in aanmerking genomen dat raadsman ter onderbouwing van zijn verweer slechts - onder verwijzing naar een rapportage van het CPT - in algemene termen heeft gewezen op de slechte detentieomstandigheden in Oekraïne. Ad 2. Rb heeft in haar motivering van de afwijzing van het verzoek tot aanhouding van de behandeling van het uitleveringsverzoek geoordeeld dat het niet aan Rb maar aan Minister is om de Poolse autoriteiten zo nodig in de gelegenheid te stellen om de overlevering van de opgeëiste persoon te verzoeken en de strafvervolging over te nemen van Oekraïne. Dat oordeel is juist. Arrest HvJ EU in de zaak ECLI:EU:C:2016:630 (Petruhhin), waarop het middel een beroep doet, maakt dit niet anders. Ad 3. HR ambtshalve: verbeterde lezing vermelding feiten in rov. 1.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken