HR 20 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:253
OM-cassatie. Beklag, beslag ex art. 94 Sv onder vriend van klaagster op personenauto die volgens klaagster haar in eigendom toebehoort. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2016:19 m.b.t. toepasselijke maatstaf. In oordeel Rb ligt besloten dat klaagster redelijkerwijs als rechthebbende van auto kan worden aangemerkt. Oordeel Rb dat het belang van strafvordering niet meer kan verlangen dat het beslag wordt voortgezet, omdat "de OvJ niet kan aantonen dat klaagster de wetenschap had dat beslagene vaker in haar auto's reed zonder geldig rijbewijs", is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk, nu daaruit niet z.m. volgt dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, v.v. zal bevelen. HR neemt hierbij in aanmerking dat Rb niet heeft doen blijken zich voldoende rekenschap te hebben gegeven van de mogelijke toepasselijkheid van art. 33a.2 Sr, ingevolge welke bepaling ook voorwerpen die aan een ander dan veroordeelde toebehoren vatbaar zijn voor v.v. Volgt vernietiging en terugwijzing.
De uitspraak op rechtspraak.nl