HR 12 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:19
Beklag, beslag. Onder X is o.g.v. art. 94 Sv beslag gelegd op het in het klaagschrift bedoelde horloge dat volgens klager hem in eigendom toebehoort. HR herhaalt maatstaf uit ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654. Het oordeel van de Rb dat het “gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting” niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend in de strafprocedure tegen X, tot verbeurdverklaring van het horloge zal besluiten, is tegen de achtergrond van hetgeen door klager in raadkamer naar voren is gebracht, zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk. HR neemt daarbij in aanmerking dat de Rb niet heeft doen blijken zich rekenschap te hebben gegeven van de toepasselijkheid van een van de in art. 33a.2 Sr vermelde voorw. ingevolge welke ook voorwerpen die aan een ander dan de veroordeelde toebehoren, vatbaar zijn voor verbeurdverklaring, terwijl uit niets blijkt dat een van die voorw. is vervuld.
De uitspraak op rechtspraak.nl