HR 20 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:251
1. Aanhoudingsverzoek op de grond dat verdachte zich heeft vergist in zittingsdatum. 2. Oplichting door anderen te bewegen tot betaling geldbedrag (feit 4) en afgifte auto (feit 9), art. 326 Sr. Samenweefsel van verdichtsels? Ad 1. Hof heeft het verzoek afgewezen op de grond dat niet aannemelijk is dat verdachte zich in de zittingsdatum heeft vergist en aldus geoordeeld dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is geworden. Bij die stand van zaken was het Hof niet tot een nadere belangenafweging gehouden. Ad 2. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2016:2892 m.b.t. het gebruik van een samenweefsel van verdichtsels. T.a.v. feit 4 heeft Hof geoordeeld dat verdachte, door gebruik te maken van een valse naam, te zeggen en te mailen dat hij schilderwerk en isolatiewerkzaamheden zou uitvoeren en toe te zeggen dat hij de werkzaamheden binnen twee weken zou afronden, aangeefster heeft bewogen tot betaling van een geldbedrag. Hieruit blijkt dat verdachte aan aangeefster een op meer dan een enkele leugenachtige mededeling gebaseerde onjuiste voorstelling van zaken heeft gepresenteerd. T.a.v. feit 9 heeft Hof geoordeeld dat verdachte, door te zeggen dat hij de auto wilde kopen maar dat hij geen geld bij zich had en door toe te zeggen het verschuldigde bedrag over te maken op de bankrekening van aangever alsmede de auto op zijn naam te zetten, aangever heeft bewogen tot de afgifte van een auto. Uit de bewijsvoering - waaruit naar de kern genomen niet meer naar voren komt dan dat verdachte i.s.m. zijn toezegging niet heeft betaald voor de auto die hij wilde kopen - kan niet z.m. worden afgeleid dat sprake is van een samenweefsel van verdichtsels. Volgt vernietiging en terugwijzing t.a.v. feit 9 en strafoplegging.
De uitspraak op rechtspraak.nl