HR 20 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:245
Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, art. 285 Sr. Verdachte zegt tegen politieambtenaren: "Ik ga jullie namen doorgeven aan de criminele onderwereld en dan zijn jullie niet meer veilig. Die komen jullie dan wel opzoeken." HR herhaalt ECLI:NL:HR:2005:AT3659 m.b.t. eis dat bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij betrokkene in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat deze het leven zou kunnen verliezen. Hof heeft vastgesteld dat verdachte na zijn aanhouding door verbalisanten A en B werd overgebracht naar het politiebureau, hij boos en agressief was en hij de bewezenverklaarde uitlatingen jegens deze verbalisanten heeft gedaan. ’s Hofs oordeel dat onder deze omstandigheden, mede gelet op de aard van de uitlatingen, hierdoor bij de verbalisanten in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat zij het risico liepen slachtoffer te worden van enig misdrijf tegen het leven gericht, is niet toereikend gemotiveerd, nu uit de bewijsvoering niet z.m. kan worden afgeleid dat de bedreiging door verdachte in de gegeven omstandigheden van dien aard was dat bij verbalisanten in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat zij het leven zouden kunnen verliezen. HR neemt mede in aanmerking dat uit de door verdachte geuite bewoordingen op zichzelf niet volgt dat de verbalisanten moesten vrezen voor een misdrijf gericht tegen hun leven en dat de omstandigheid dat verdachte t.t.v. zijn aanhouding en overbrenging boos en agressief was die gevolgtrekking evenmin rechtvaardigt. Volgt partiële vernietiging en terugwijzing.
De uitspraak op rechtspraak.nl