HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2351

Cassatie in belang der wet. 1. Kan, indien verdachte terechtstaat voor (1) feit waarvoor hij zich in voorlopige hechtenis bevindt o.g.v. bevel tot bewaring of gevangenhouding en (2) ander feit waarvoor weliswaar voorlopige hechtenis is toegelaten maar dat niet is vermeld in dat bevel (hierna: feit (1) en feit (2)), gevangenneming worden bevolen voor feit (2)? 2. Kan, indien verdachte zich t.t.v. aanvang onderzoek ttz. in voorlopige hechtenis bevindt o.g.v. bevel bewaring, de zittingsrechter gevangenneming of -houding bevelen t.z.v. feit omschreven in bevel bewaring? Ad 1. Die vraag moet bevestigend worden beantwoord. O.g.v. art. 65.2 Sv kan de rechter na de aanvang van het onderzoek op de tz. de gevangenneming bevelen. Deze bepaling moet aldus worden begrepen zij zich ertegen verzet dat na de aanvang van het onderzoek op de tz. de gevangenneming wordt bevolen t.z.v. een feit waarvoor verdachte zich reeds in voorlopige hechtenis bevindt o.g.v. een bevel waarvan de geldigheidsduur niet is verstreken. Noch art. 65.2 Sv noch enige andere rechtsregel staat evenwel eraan in de weg dat in zo’n geval bij hetzij ongelijktijdige hetzij gelijktijdige berechting van feit (1) en feit (2) een bevel tot gevangenneming wordt verleend voor feit (2). Dit is niet anders indien feit (1) en feit (2) ex art. 259 Sv gevoegd zijn aangebracht of ex art. 285 Sv gevoegd zijn behandeld. HR zet uiteen waarom art. 67b.1 Sv niet tot een ander oordeel noopt. Ad 2. Gevangenneming kan, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, in zo’n geval niet door de zittingsrechter worden bevolen omdat verdachte zich reeds voor het desbetreffende feit in voorlopige hechtenis bevindt. Een bevel tot gevangenhouding kan echter wel worden gegeven. In art. 65.1 Sv is immers bepaald dat Rb op de vordering van OvJ de gevangenhouding kan bevelen van verdachte die zich in bewaring bevindt. Deze algemeen geformuleerde bepaling maakt geen onderscheid tussen een meervoudige dan wel een enkelvoudige kamer van de Rb. Daarom moet worden aangenomen dat in zo’n geval de gevangenhouding ook door de enkelvoudige kamer kan worden bevolen, zoals de enkelvoudige kamer ook bevoegd is de gevangenneming te bevelen in de daarvoor in aanmerking komende gevallen (vgl. NJ 1941/112 en ECLI:NL:HR:2000:AA7957). Dit strookt met art. 21.1 Sv waarin is bepaald dat onderzoek en beslissing omtrent alle vorderingen die op de tz. zijn gedaan, aldaar geschieden. Dat in art. 21.5 Sv is bepaald dat de behandeling van een vordering tot gevangenhouding wordt behandeld door een meervoudige kamer, leidt niet tot een ander oordeel, aangezien dit voorschrift ziet op een vordering die niet op de tz. is gedaan. Volgt vernietiging in belang der wet.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken