HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2336

Zaak Guus K. Medeplichtigheid aan medeplegen van oorlogsmisdrijven (art. 8 (oud) Wet oorlogsstrafrecht) en medeplegen van opzettelijke overtredingen van VN-wapenembargo’s (art. 2 en 3 Sanctiewet 1977 jo. art. 1, 2 en 6 WED) tussen 2000 en 2003 tijdens Liberiaanse burgeroorlog. Vervolg op ECLI:NL:HR:2010:BK8132. Is OM n-o in vervolging verdachte vanwege door toenmalige president van Liberia, Charles Taylor, op 7 augustus 2003 (vier dagen voor zijn aftreden) goedgekeurde amnestieregeling? De vraag of de Liberiaanse amnestieregeling aan vervolging van verdachte in Nederland in de weg staat, dient mede te worden bezien tegen de achtergrond van de positieve verplichtingen die - o.m. ex art. 2 en 3 EVRM - op staten rusten tot bescherming van het recht op leven en tot voorkoming van een onmenselijke behandeling. Die verdragsverplichtingen betreffen o.m. het doen van een effectief en onafhankelijk onderzoek en het openstellen van de mogelijkheid van strafrechtelijke vervolging en bestraffing. Uit rechtspraak van het EHRM valt af te leiden dat niet uitgesloten is dat in een uitzonderlijk geval amnestieverlening voor (oorlogs)misdrijven toelaatbaar is, bijv. indien sprake is (geweest) van een verzoeningsproces en/of een vorm van compensatie voor slachtoffers. Uit het internationale recht vloeit evenwel voort dat niet snel wordt aangenomen dat van een vervolging kan worden afgezien vanwege amnestie (vgl. EHRM Marguš/Kroatië en EHRM Ould Dah/Frankrijk). Het Hof heeft het standpunt dat naar Liberiaans recht de amnestieregeling ook na het vredesakkoord en het instellen van de Waarheids- en Verzoeningscommissie gelding heeft behouden, niet gehonoreerd. V.zv. het middel klaagt dat het Hof een onjuiste uitleg heeft gegeven aan het Liberiaanse recht, faalt het. De juistheid van dat oordeel kan in cassatie niet worden getoetst omdat HR ex art. 79 RO niet kan treden in de uitleg van het recht van vreemde staten. In de kern komt ’s Hofs oordeel hierop neer dat de enkele door de verdediging gestelde omstandigheid dat volgens de Liberiaanse amnestieregeling aan verdachten in Liberia amnestie is verleend niet aan strafvervolging in Nederland van verdachte voor de onderhavige zeer ernstige internationale misdaden in de weg staat. Bij dat oordeel heeft het Hof mede de uit art. 2 en 3 EVRM voortvloeiende verdragsverplichtingen betrokken die met zich brengen dat bij verdenking van oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid een effectief (strafrechtelijk) onderzoek moet worden ingesteld en dat zo nodig voor dergelijke misdrijven moet worden vervolgd. Mede gelet op ’s Hofs vaststellingen m.b.t. de omstandigheden waaronder de amnestieregeling tot stand is gekomen heeft het Hof zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting het verweer op toereikende gronden verworpen. Volgt verwerping (overige 29 middelen: art. 81.1 RO).

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken