HR 11 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2277

Opzettelijk niet voldoen aan wettelijke verplichting door getuige door opgeroepen en verschenen als getuige in “Passsageproces” op meerdere tz. te weigeren antwoorden te geven op aan hem gestelde vragen en zich te beroepen op verschoningsrecht (voortgezette handeling), art. 192.1 Sr. 1. Heeft verdachte gehandeld in strijd met “wettelijke verplichting” a.b.i. art. 192.1 Sr door in hoedanigheid van getuige geen antwoord te geven op aan hem gestelde vragen of komt aan hem beroep op verschoningsrecht a.b.i. art. 219 Sv toe? 2. Opzet. Ad 1. Hof heeft, zonder miskenning van art. 219 Sv, tot uitgangspunt genomen dat getuige slechts dan op de voet van die bepaling een beroep kan doen op verschoningsrecht indien - mede in het licht van hetgeen door getuige ter toelichting daarop is aangevoerd - aannemelijk is dat getuige door de beantwoording van de gestelde vraag ofwel zichzelf ofwel een van de in art. 219 Sv bedoelde andere personen blootstelt aan het gevaar van een strafrechtelijke veroordeling. Hof heeft vastgesteld dat verdachte tijdens tz. in h.b. in een strafzaak tegen anderen als getuige werd gehoord over een strafbaar feit ter zake waarvan hij reeds onherroepelijk was veroordeeld. Hof heeft geoordeeld dat mede gelet hierop verdachte tijdens zijn verhoor als getuige geen (algeheel) beroep toekwam op verschoningsrecht a.b.i. art. 219 Sv, aangezien niet aannemelijk is dat aan de vereisten van die bepaling was voldaan. Dit oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is, ook gelet op hetgeen in strafzaak tegen verdachte ttz. in h.b. door raadsman van verdachte is aangevoerd, niet onbegrijpelijk. Het daarop gebaseerde oordeel dat verdachte, door tijdens zijn verhoor als getuige te weigeren antwoord te geven op aan hem gestelde of te stellen vragen, in strijd heeft gehandeld met een wettelijke verplichting a.b.i. art. 192.1 Sr, getuigt evenmin van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Ad 2. Voor bewezenverklaring van het tlgd. handelen in strijd met art. 192.1 Sr is vereist dat verdachte met (voorwaardelijk) opzet handelt in strijd met de wettelijke verplichtingen die i.h.a. voor getuigen gelden, waaronder de verplichting een verklaring af te leggen. Opvatting dat opzet van verdachte ook erop gericht moet zijn zich ten onrechte te beroepen op verschoningsrecht, is onjuist. Volgt verwerping. Samenhang met 17/01629.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen