HR 13 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2090

Herziening veroordelingen wegens het als ongewenst verklaarde vreemdeling in NL verblijven, art. 197 Sr. Aangevoerd wordt dat Hof aanvrager zou hebben vrijgesproken indien Hof bekend zou zijn geweest met uitspraak bestuursrechter, waaruit blijkt dat t.t.v. bewezenverklaarde feiten voor aanvrager ‘licht inreisverbod’ gold voor twee jaar, waarop art. 66a.7 Vreemdelingenwet 2000 niet van toepassing was. HR: Op de in de CAG in vermelde gronden moet het in de aanvraag aangevoerde worden aangemerkt als een gegeven a.b.i. art. 457.1.c Sv. CAG: Rb (bestuursrechter) heeft overwogen dat het verweerschrift van 3-10-2017 kan worden aangemerkt als een wijzigingsbesluit en dat het in dat wijzigingsbesluit vervatte 'lichte inreisverbod' (voor de duur van twee jaar) is ingegaan op het moment dat de ongewenstverklaring is ‘omgeklapt’ naar het inreisverbod, te weten op 22-5-2012. Uit het wijzigingsbesluit van 3-10-2017 van de staatssecretaris, gelezen in samenhang met de (onherroepelijke) uitspraak van Rb , kan worden afgeleid dat aan het wijzigingsbesluit terugwerkende kracht is verbonden. Daaruit volgt dat vanaf 22-5-2012 geen inreisverbod met toepassing van art. 66a.7 Vw heeft bestaan. Daarvoor is met terugwerkende kracht in de plaats gekomen een zogeheten ‘licht inreisverbod’, waarop art. 66a.7 Vw niet toepasselijk is. Dit inreisverbod gold vanaf 22-5-2012 voor de duur van twee jaar. De aan aanvrager tlgd. gedragingen zijn toegesneden op het misdrijf van art. 197 Sr. Zij zijn volgens de tll. begaan op 2-2-2013, 2-3-2013, 26-4-2013 en 27-3-2014. Voor een bewezenverklaring van die strafbepaling is vereist dat de vreemdeling weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat jegens hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van art. 66a.7 Vw. Gelet op het wijzigingsbesluit is aan die voorwaarde niet (meer) voldaan. HR verklaart aanvraag gegrond en verwijst zaak naar Hof. Vervolg op ECLI:NL:HR:2016:616.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen