HR 6 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2059

Medeplegen van in uitoefening van beroep of bedrijf opzettelijk verkopen, afleveren en vervoeren van hoeveelheden van meer dan 500 gram hennep (art. 3.B en art. 11 Opiumwet) en gewoontewitwassen (art. 420bis en 420ter Sr). 1. Heeft Hof grondslag tll. verlaten door bewezen te verklaren dat gedragingen van verdachte betrekking hadden op 'hennep', terwijl tll. ziet op 'henneptoppen'? 2. Bewijsklacht hoeveelheden hennep. 3. Bewijsvoering gewoontewitwassen innerlijk tegenstrijdig? Ad 1. Hof heeft tll. kennelijk aldus verstaan dat verdachte wordt verweten dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan (kort gezegd) opzettelijk verkopen, afleveren en vervoeren van 'hennep'. Die uitleg is met bewoordingen tll. niet onverenigbaar en moet in cassatie worden geëerbiedigd. Uitgaande van die uitleg heeft Hof grondslag tll. niet verlaten, waarbij HR in aanmerking neemt dat voor kwalificatie bewezenverklaarde niet van betekenis is op welk deel van de hennepplant het bewezenverklaarde handelen betrekking heeft. Ad 2. Klacht dat bewezenverklaarde, v.zv. inhoudende 'zijnde telkens een hoeveelheid hennep (van) meer dan 500 gram', niet uit gebezigde b.m. kan worden afgeleid, kan bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden. In aanmerking genomen dat tevens beroeps- of bedrijfsmatig handelen is bewezenverklaard, worden bij weglating van in middel bedoeld onderdeel van de bewezenverklaring, de aard en ernst van het bewezenverklaarde niet aangetast, terwijl ook de kwalificatie ongewijzigd blijft. Ad 3. Bewezenverklaarde houdt in dat verdachte van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, omdat hij en zijn mededaders meermalen geldbedragen - in de bewezenverklaring telkens aangeduid als ‘voorwerp’ - voorhanden hebben gehad, overgedragen en omgezet, waarbij dat overdragen en omzetten betrekking had op de in de bewezenverklaring genoemde objecten en uitgaven, terwijl verdachte wist dat die geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit misdrijf. Tevens heeft Hof bewezenverklaard - hoewel dat geen bestanddeel is van art. 420bis en 420ter Sr - dat die wetenschap reeds ‘ten tijde van’ het verwerven of het voorhanden krijgen van de geldbedragen bestond. Anders dan middel betoogt, is deze bewezenverklaring niet innerlijk tegenstrijdig. Het bewezenverklaarde in zijn geheel is ook, gelet op de bewijsvoering, toereikend gemotiveerd. Volgt verwerping. CAG: anders. Samenhang met 17/01036.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken