HR 30 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:2020

Belaging (art. 285b.1 Sr) en bedreiging (art. 285.1 Sr) ex-vriendin (moeder van kind van verdachte) en handelen i.s.m. gedragsaanwijzing OvJ (art. 184a Sr). Aanhoudingsverzoek niet gemachtigde raadsvrouwe ttz. op de grond dat verdachte verkeert in moeilijke persoonlijke omstandigheden en het van belang is dat verdachte ttz. aanwezig is, door Hof afgewezen o.g.v. conclusie dat verdachte geen gebruik wenst te maken van aanwezigheidsrecht. Ligt belangenafweging besloten in ’s Hofs overwegingen? HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2018:1934, inhoudende dat aanhoudingsverzoek kan worden gedaan door verdachte, gemachtigde raadsman of niet gemachtigde raadsman (met het oog op effectuering aanwezigheidsrecht verdachte of t.b.v. alsnog verkrijgen machtiging), dat rechter (als geval dat aan verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is zich niet voordoet) belangenafweging dient te maken tussen aanwezigheidsrecht verdachte en belang bij doeltreffende en spoedige berechting en dat rechter i.g.v. afwijzing van verzoek in motivering van zijn beslissing blijk dient te geven van deze belangenafweging, terwijl die motivering in cassatie slechts op haar begrijpelijkheid kan worden getoetst. Afwijzing van verzoek tot aanhouding van behandeling van zaak berust in de kern op ’s Hofs oordeel dat verdachte geen gebruik wenst te maken van zijn aanwezigheidsrecht. Gelet op hetgeen door raadsvrouwe aan aanhoudingsverzoek ten grondslag is gelegd, is dat oordeel niet z.m. begrijpelijk, terwijl evenmin uit 's Hofs motivering van afwijzing van verzoek blijkt dat Hof hiervoor bedoelde afweging van belangen heeft gemaakt. Volgt vernietiging en terugwijzing. CAG: anders.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken