HR 13 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2011
Medeplegen mensenhandel (meermalen gepleegd), art. 237f Sr en medeplegen gewoontewitwassen, art. 420bis jo. 420ter Sr. ‘Non-prosecution/non-punishment beginsel’ t.a.v. slachtoffers van mensenhandel, art. 8 EU-Richtlijn 2011/36/EU inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan. Beroep op niet-ontvankelijkheid OM wegens strafvervolging in strijd met in Richtlijn neergelegd beginsel, nu verdachte als slachtoffer van mensenhandel door haar ex-vriend zou zijn gedwongen tot plegen feiten. 1. Rechtstreeks beroep op Richtlijn mogelijk? 2. Instellen vervolging in strijd met Aanwijzing mensenhandel? 3. Strafmotivering. Hof was o.g.v. 'non-prosecution/non-punishment beginsel’ gehouden toepassing te geven aan art. 9a Sr. 4. Omstandigheden van het geval bieden grond voor toepassing art. 9a Sr. 5. Verzoek tot stellen prejudiciële vragen. Ad 1. Hof heeft i.h.k.v. ontvankelijkheid OM in vervolging van verdachte o.m. geoordeeld dat Nederlandse nationale wetgeving met het in het WvSv neergelegde opportuniteitsbeginsel voldoet aan het vereiste in art. 8 Richtlijn, voortvloeiend uit ‘non-prosecution/non-punishment beginsel’, en dat dit beginsel tevens is opgenomen in Aanwijzing. Naar het oordeel van het Hof is daarmee Richtlijn tijdig en juist in nationale wetgeving omgezet, zodat verdachte geen rechtstreeks beroep op Richtlijn toekomt. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Ad 2. Hof heeft geoordeeld dat OM in redelijkheid het standpunt heeft kunnen innemen dat het niet evident is dat verdachte is gedwongen of bewogen tot het plegen van de aan haar tlgd. feiten, en dat OM ontvankelijk is in de vervolging nu met het instellen van de vervolging tegen verdachte niet in strijd met Aanwijzing is gehandeld. Mede gelet op inhoud Aanwijzing geeft dat oordeel niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk. Ad 3. Ingevolge art. 26 Verdrag van de Raad van Europa inzake bestrijding van mensenhandel dient te worden voorzien in mogelijkheid dat geen straf wordt opgelegd aan slachtoffers van mensenhandel voor betrokkenheid bij onrechtmatige handelingen indien zij hiertoe gedwongen werden, terwijl art. 8 Richtlijn voorschrijft dat maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat bevoegde nationale autoriteiten gerechtigd zijn slachtoffers van mensenhandel niet te vervolgen of te bestraffen wegens gedwongen betrokkenheid bij criminele activiteiten die rechtstreeks gevolg is van jegens hen gepleegde handelingen. Daargelaten dat Nederlands strafrecht in art. 9a Sr een voorziening kent die aan deze tot de wetgever gerichte bepalingen tegemoet komt, kan aan art. 26 Verdrag en art. 8 Richtlijn niet worden ontleend dat rechter in een geval waarop die bepalingen zien, verplicht is tot daadwerkelijke toepassing van art. 9a Sr, terwijl ook overigens geen rechtsregel, waaronder begrepen die in Aanwijzing, tot die toepassing verplichtte (vgl. ECLI:NL:HR:2011:BP9394). Ad 4. Klacht gericht tegen ’s Hofs oordeel dat de omstandigheden van het onderhavige geval geen grond bieden voor toepassing van art. 9a Sr, faalt nu ‘s Hofs oordeel niet onbegrijpelijk is gemotiveerd, mede in aanmerking genomen dat Hof niet aannemelijk heeft geacht dat verdachte door de situatie waarin zij zich bevond is gedwongen of bewogen tot de uitbuiting van een of meer van de in de bewezenverklaring genoemde slachtoffers, in welk verband Hof heeft geoordeeld dat verdachte bewezenverklaarde feiten vrijwillig heeft begaan. Ad 5. Hof heeft bij afwijzing van verzoek tot stellen prejudiciële vragen aan het HvJEU kennelijk geoordeeld dat geen grond voor twijfel bestaat over uitleg van recht van EU v.zv. relevant voor beoordeling en beslissing van onderhavige zaak. Dat oordeel is juist. HR ziet zelf evenmin aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen van uitleg aan HvJEU. Volgt verwerping.
De uitspraak op rechtspraak.nl