HR 9 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1888
Hof heeft verdachte n-o verklaard in zijn h.b. omdat het te laat is ingesteld. Verontschuldigbare termijnoverschrijding op de grond dat ex art. 366.4 Sv vertaling mededeling verstekvonnis aan verdachte, die in e.a. noch in h.b. ttz. is verschenen, had moeten worden verstrekt? O.g.v. de geschiedenis van de totstandkoming van art. 366.4 Sv moet worden aangenomen dat de mate waarin verdachte t.t.v. het eerste verhoor door de politie de Nederlandse taal beheerst mede een relevante omstandigheid kan zijn voor de beoordeling of sprake is van verdachte die de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst in de zin van voormelde bepaling. Gelet hierop geeft ‘s Hofs klaarblijkelijke oordeel dat een schriftelijke vertaling van de mededeling van het vonnis achterwege kon blijven niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is. Het kan, verweven als het is met aan de feitenrechter voorbehouden weging en waardering van feitelijke aard, in cassatie niet verder worden getoetst. Het voorgaande brengt mee dat ‘s Hofs oordeel dat zich door de uitreiking van de mededeling uitspraak een omstandigheid heeft voorgedaan a.b.i. art. 408.2 Sv en het h.b. derhalve te laat is ingesteld, niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is. Volgt verwerping.
De uitspraak op rechtspraak.nl