HR 2 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1819

Medeplegen handel in cocaïne (meermalen gepleegd), art. 2.B Opiumwet. VI en duur vrijheidsbeneming in relatie tot gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf. Leidt VI regeling van art. 15 e.v. Sr ertoe dat oplegging van gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf langere vrijheidsbeneming met zich brengt dan oplegging van geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf? Hof heeft in strafmotivering overwogen dat in beginsel een gevangenisstraf van 24 maanden passend en geboden zou zijn maar dat vanwege overschrijding van redelijke termijn een gevangenisstraf van 22 maanden zal worden opgelegd en vervolgens een gevangenisstraf van 22 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, opgelegd. HR: art. 81.1 RO. CAG: Verdachte zit in beginsel korter vast indien hem een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van 22 maanden wordt opgelegd (met toepassing van VI regeling), dan wanneer deze straf ook een voorwaardelijke component van 6 maanden omvat (zonder toepassing VI regeling). Daarbij verdient opmerking dat VI regeling niet inhoudt dat verdachte in alle gevallen voorwaardelijk in vrijheid wordt gesteld (art. 15d Sr). Geen innerlijke tegenstrijdigheid tussen strafmotivering en dictum, omdat aankondiging van vermindering van gevangenisstraf vanwege overschrijding van redelijke termijn nog niet uitsluit dat vervolgens o.g.v. andere overwegingen daarvan een deel voorwaardelijk wordt opgelegd. De voor het achterwege laten van een voorwaardelijk deel van de sanctie aangevoerde feiten en omstandigheden zijn door Hof kennelijk en niet onbegrijpelijk te licht bevonden.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen