HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1773

Medeplegen diefstal aanhangwagen door verdachte en zijn zus, art. 311.1.4 Sr. Hof heeft in bewijsvoering acht geslagen op hetgeen door raadsman ttz. naar voren is gebracht m.b.t. mededeling die door verdachte aan zijn raadsman is gedaan. In zijn bewijsoverweging heeft Hof geoordeeld dat de verklaring van verdachte een kennelijke leugen was om de waarheid te verhullen, waarbij het heeft betrokken "dat namens verdachte door diens raadsman naar voren is gebracht dat verdachte hem heeft meegedeeld dat het zijn, verdachtes, eigen aanhangwagen betrof". Daarin ligt als ’s Hofs rechtsopvatting besloten dat een door raadsman ttz. gedane mededeling kan worden aangemerkt als wettig b.m. a.b.i. art. 339.1 Sv en derhalve voor het bewijs kan worden gebezigd. Die opvatting is onjuist (vgl. ECLI:NL:HR:2016:2649), nog daargelaten dat het oordeel van de rechter, inhoudende dat een verklaring van verdachte kennelijk leugenachtig is en is afgelegd om de waarheid te bemantelen, geen grondslag kan vinden in verklaringen van personen omtrent hetgeen verdachte aan hen heeft medegedeeld (vgl. ECLI:NL:HR:2005:AT2897). Geen cassatie nu de bewezenverklaring ook met weglating van het onderdeel in de nadere bewijsoverweging over de mededeling van raadsman en de door het Hof als kennelijk leugenachtig aangemerkte verklaring van verdachte toereikend is gemotiveerd. Volgt verwerping. CAG: anders t.a.v. vraag of motiveringsgebrek tot cassatie dient te leiden. Samenhang met 16/06069.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken