HR 4 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1428

Cassatie in het belang der wet. Beschikking Hof inhoudende afwijzing verzoek vergoeding kosten rechtsbijstand, art. 591a Sv. Zijn kosten rechtsbijstand van politieambtenaar die n.a.v. een incident tijdens diensttijd als verdachte is aangemerkt t.z.v. een strafbaar feit, terwijl strafzaak uiteindelijk is geseponeerd, ex art. 591a.2 Sv vatbaar voor toewijzing, indien het politiekorps de declaraties van de raadsman heeft voldaan? Afwijzing door Hof van verzoek vergoeding kosten rechtsbijstand op de grond dat geen sprake is van een situatie waarin verzoeker zelf de kosten van rechtsbijstand heeft moeten dragen of zal moeten dragen. Indien een zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder toepassing van art. 9a Sr, kan ex art. 591a.2 Sv aan gewezen verdachte uit 's Rijks kas een vergoeding worden toegekend in de kosten van een raadsman, behoudens in het zich hier niet voordoende geval dat de raadsman was toegevoegd. In ECLI:NL:HR:1973:AB3408, NJ 1973/355 is deze bepaling aldus uitgelegd dat zij plaats laat voor het toekennen van een tegemoetkoming in (thans: vergoeding van) de door gewezen verdachte geleden of verschuldigde kosten van een raadsman indien gewezen verdachte krachtens een rechtsbijstandsverzekering op de verzekeraar een vordering tot vergoeding van die kosten heeft. Er bestaat geen goede grond anders te oordelen indien gewezen verdachte o.g.v. een andere rechtsverhouding zo’n vordering heeft op een derde, bijvoorbeeld zijn werkgever. Aan toekenning van een vergoeding staat evenmin in de weg dat de rechtsbijstandskosten door die derde worden gedragen. Volgt vernietiging in het belang van de wet.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken