HR 4 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:574

OM-cassatie en cassatie verdachte. Terroristische misdrijven i.h.k.v. een niet-internationaal gewapend conflict op Sri Lanka. Veroordeling van “Tamil Tijger” wegens deelname aan een internationale criminele organisatie (LTTE) en een nationale criminele organisatie (TCC) die tot oogmerk hebben het plegen van terroristische misdrijven, art. 83a, 140 en 140a Sr, Verdragen van Genève en Eerste Aanvullende Protocol bij de Verdragen van Genève. Handelingen van LTTE tijdens niet-internationaal gewapend conflict aan te merken als handelingen van een terroristische organisatie? In Sri Lanka was sprake van een niet-internationaal gewapend conflict tussen regeringsstrijdkrachten van de Sri Lankaanse overheid en strijders van LTTE, terwijl LTTE i.h.k.v. dat conflict (ook) personen die niet rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnamen als doelwit van aanslagen heeft genomen. Middel steunt op opvatting dat o.g.v. art. 3 Verdragen van Genève de leden van de strijdkrachten van LTTE “combattanten” zijn en dat o.g.v. die bepaling het internationale humanitaire recht, met uitsluiting van het commune strafrecht, van toepassing is. Deze opvatting vindt geen steun in het recht, waaronder begrepen het internationale humanitaire recht. Onjuist is opvatting dat i.g.v. een intern gewapend conflict het internationale humanitaire recht exclusief van toepassing is, zodat de toepasselijkheid van het commune strafrecht is uitgeschakeld (vgl. ECLI:NL:HR:2004:AF6988). Middel berust voorts op opvatting dat louter Sri Lanka de bevoegdheid heeft om gedragingen verricht door strijders van LTTE, als zijnde leden van een gewapende oppositionele groep tijdens een intern conflict, volgens commuun strafrecht te vervolgen en te bestraffen, nu Sri Lanka heeft te gelden als "de betrokken staat". Deze opvatting getuigt van een onjuiste uitleg van voormeld arrest van de HR, aangezien de desbetreffende zinsnede is toegesneden op de context van een vervolgingsuitlevering, en vindt (ook overigens) geen steun in het recht. Gelet hierop getuigt ’s Hofs oordeel dat verdachte heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van terroristische misdrijven en dat hij daarvoor naar commuun Nederlands strafrecht kan worden vervolgd en bestraft, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is dit oordeel niet onbegrijpelijk. Middelen OM: art. 81.1 RO. Samenhang met 15/04689, 15/04691, 15/04692 en 15/04693.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken