HR 26 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2496
Profijtontneming, w.v.v. uit marktplaatsoplichting. Art. 1.2, 36e.8 (oud) en 36e.9 Sr. In strafzaak onherroepelijk toegewezen vorderingen b.p. niet in mindering gebracht op schatting w.v.v. en opgelegde betalingsverplichting. Terecht toepassing gegeven aan nieuwe regeling van art. 36e (thans) lid 9 Sr? Art. 36e (thans) lid 9 Sr houdt een wijziging van wetgeving in t.a.v. toepasselijke regels van sanctierecht. In een dergelijk geval dient o.g.v. art. 1.2 Sr bij verandering van wetgeving na het tijdstip waarop het feit is begaan, de voor betrokkene meest gunstige bepaling te worden toegepast. A.g.v. de toevoeging van het vereiste dat de in rechte toegekende vorderingen van benadeelde derden alsmede de t.b.v. het slachtoffer opgelegde betalingsverplichting zijn voldaan, werkt het nieuwe (thans) negende lid niet ten gunste van betrokkene. Hof diende daarom art. 36e.8 (oud) Sr toe te passen. Ex art. 36e.8 (oud) Sr dienen bij de bepaling van de omvang van het bedrag waarop het w.v.v. wordt geschat de aan b.p. in rechte toegekende vorderingen in mindering te worden gebracht. Bij toepassing daarvan komen slechts in aanmerking de in rechte onherroepelijk toegekende vorderingen van b.p., die strekken tot vergoeding van hun schade a.g.v. het feit waarop de ontnemingsvordering (mede) steunt, indien en v.zv. tegenover die schade een daarmee corresponderend voordeel voor betrokkene staat. De a.g.v. de bewezenverklaarde feiten geleden schade waarvan b.p. vergoeding vorderen correspondeert met het door betrokkene w.v.v. ter zake waarvan hem de betalingsverplichting is opgelegd. Gelet hierop had het Hof ex art. 36e.8 (oud) Sr bij de vaststelling van het bedrag van de betalingsverplichting het bedrag van de in rechte onherroepelijk toegekende vorderingen van b.p. in mindering moeten brengen op het bedrag waarop het w.v.v. is geschat. HR doet zaak zelf af.
De uitspraak op rechtspraak.nl