HR 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:740

OM-cassatie. Checkpoint II. Ontvankelijkheid OM. Vervolg op ECLI:NL:HR:2013:126. HR verwijst naar relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2012:BX4280, ECLI:NL:HR:2012:BW5002 en ECLI:NL:HR:2013:7. ’s Hofs oordeel dat het OM n-o dient te worden verklaard t.z.v. het onder 1 tlgd. omdat verdachte en de medeverdachten “het gerechtvaardigd vertrouwen mochten koesteren” dat de gedoogvoorwaarden niet werden overtreden en het OM wat betreft het opzettelijk verkopen, afleveren en/of verstrekken van hennep en/of hasjiesj niet tot vervolging zou overgaan, is niet begrijpelijk, reeds omdat het Hof niet heeft vastgesteld dat dit vertrouwen is gewekt door uitlatingen of daarmee gelijk te stellen gedragingen van het OM, dan wel door uitlatingen of daarmee gelijk te stellen gedragingen die aan het OM moeten worden toegerekend. Daarnaast kunnen ’s Hofs overwegingen diens oordeel dat het OM n-o dient te worden verklaard in de vervolging t.z.v. het onder 7 tlgd. omdat geen redelijk handelend lid van het OM heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging t.z.v. deelneming aan een organisatie a.b.i. art. 11a (oud) Opiumwet in het onderhavige geval enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kon zijn, niet dragen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken