HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2190
Strafmotivering. ’s Hofs vaststellingen dat verdachte "ten tijde van het plegen van de bewezenverklaarde feiten een stabiele relatie had en beschikte over woonruimte en werk" en dat verdachte "niet [heeft] kunnen aangeven waarom hij ondanks deze gunstige omstandigheden deze feiten heeft begaan en hoe herhaling kan worden voorkomen", zijn niet z.m. begrijpelijk aangezien noch het p-v van de tz. in h.b. noch de overige stukken waarvan de HR kennisneemt daarvoor steun bieden. De strafoplegging is daarom ontoereikend gemotiveerd.