HR 9 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:213
1. Kwalificatie van het vervaardigen en in bezit hebben van kinderporno. Art. 240b Sr. 2. VOG. Verdachte (16 - 18 jaar) verricht seksuele handelingen met meisjes in de leeftijd van 13 - 15 jaar en filmt dit. Ad. 1. ’s Hofs oordeel dat i.c. de in de bwvk. omschreven gedragingen van verdachte kunnen worden gekwalificeerd als - kort gezegd - het vervaardigen en in bezit hebben van kinderporno in de zin van art. 240b, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. De HR tekent aan dat moet worden aangenomen dat art. 240b Sr te ruim is geredigeerd, in die zin dat deze bepaling ook gevallen bestrijkt waarin volgens de wetsgeschiedenis strafrechtelijke aansprakelijkstelling achterwege kan of dient te blijven en noemt relevante factoren voor het bepalen van dergelijke gevallen. Deze gevallen zouden in de - bij de verdere behandeling van het wetsvoorstel niet weersproken - visie van de Minister nader moeten worden omschreven in de Aanwijzing kinderpornografie. Omdat de Aanwijzing Kinderpornografie echter geen omschrijving in die zin omvat, is het aan de strafrechter om - ook al is voldaan aan alle bestanddelen van art. 240b Sr – in het soort gevallen dat is genoemd in de wetsgeschiedenis, aan de hand van door de HR genoemde factoren de vraag onder ogen te zien of het gedrag van de verdachte, alle omstandigheden in aanmerking genomen, van dien aard is dat het moet worden gekwalificeerd als het in die bepaling als misdrijf tegen de zeden strafbaar gestelde feit, en ingeval die vraag ontkennend wordt beantwoord de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging op de grond dat het bwvk. niet een strafbaar feit oplevert. Ad. 2. In het middel wordt tot uitgangspunt genomen dat sprake is van schending van art. 3 EVRM, omdat aan de verdachte als gevolg van zijn veroordeling “in elk geval gedurende een zeer lange periode – geen VOG zal worden verstrekt, waardoor hij het beroep van zijn keuze nooit zal kunnen uitoefenen en ook, in feite, levenslang zal zijn uitgesloten van de uitoefening van tal van andere beroepen”, waarbij het middel zonder nadere onderbouwing ervan uitgaat dat een door verdachte gedane aanvraag van een VOG nimmer zal worden ingewilligd, ook niet na bezwaar en beroep tegen een weigering. Deze stellingen zijn evenwel onjuist, zodat de juistheid van genoemd uitgangspunt onbesproken kan blijven.
De uitspraak op rechtspraak.nl