HR 7 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:901

Voorwaardelijk verzoek horen getuigen. Het Hof heeft kennelijk in de handgeschreven verwijzing naar de pleitnota in de zaak tegen medeverdachte geen aanleiding gezien het gestelde in die pleitnota van overeenkomstige toepassing te verklaren. Geen rechtsregel verplicht de rechter te beslissen omtrent enig verzoek dat niet door of namens verdachte uitdrukkelijk ttz. is gedaan. De enkele mededeling van de raadsman tijdens zijn pleidooi dat “Par. 29-33 inzake [medeverdachte] als hier ingelast (dient) te worden beschouwd. Zie bijlage: pleitnota [medeverdachte]”, heeft het Hof niet als een uitdrukkelijk ttz. gedaan verzoek behoeven op te vatten. Het middel faalt. De HR verwijst de zaak naar de rolzitting opdat de AG zich alsnog kan uitlaten over de overige middelen.

De uitspraak op rechtspraak.nl