HR 8 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3462
Naaktrecreatie in de Delftse Hout. Art. 430a Sr, ‘plaats die voor ongeklede recreatie niet geschikt is’. Grondslagverlating. Het Hof heeft art. 430a Sr aldus uitgelegd dat ook plaatsen die niet door de gemeenteraad daartoe zijn aangewezen, geschikt kunnen zijn voor ongeklede recreatie. Dat oordeel is juist. De beantwoording van de vraag welke voor het openbaar verkeer bestemde, niet door de gemeenteraad aangewezen, plaatsen niet geschikt zijn voor ongeklede recreatie, hangt af van de omstandigheden van het geval. Van geval tot geval zal dus moeten worden beoordeeld of de desbetreffende plaats niet geschikt is voor ongeklede recreatie, waarbij blijkens de wetsgeschiedenis en gelet op de plaatsing van art. 430a Sr in Titel II van het Derde Boek van het Wetboek van Strafrecht (“Overtredingen betreffende de openbare orde”) o.m. van belang kan zijn of (i) ongeklede recreatie volgens de maatschappelijke opvattingen, zoals die t.t.v. de gedraging ter plaatse leven, aanvaardbaar wordt geacht, (ii) de locatie zodanig is gelegen dat sprake is ongevraagde of ongewilde confrontatie van derden, en (iii) of de openbare orde wordt verstoord. Het Hof heeft geoordeeld dat slechts sprake kan zijn van handelen in strijd met art. 430a Sr indien de voor het openbaar verkeer bestemde plaats waar de tlgd. naaktrecreatie is beoefend, “evident niet geschikt is” voor ongeklede recreatie, hetgeen volgens het Hof in dit verband betekent “dat objectief oordelende en redelijk denkende mensen over die niet-geschiktheid in een concreet geval redelijkerwijze niet van mening kunnen verschillen”. Dat oordeel geeft, gelet op hetgeen is vooropgesteld, blijk van een te beperkte uitleg van de in art. 430a Sr voorkomende uitdrukking “plaats die voor ongeklede recreatie niet geschikt is.” Aldus heeft het Hof de grondslag van de tll. verlaten.
De uitspraak op rechtspraak.nl