HR 24 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3356
1. Art. 246 Sr. Ontuchtige handelingen. Het meermalen knijpen in de billen van aangeefster. 2. Art. 423.4 Sv. Bepalen straf. Ad 1. Verdachte heeft een voor hem onbekende jonge vrouw in een drukke uitgaansgelegenheid onverhoeds in de billen geknepen. Nadat aangeefster kenbaar had gemaakt dat zij daar niet van was gediend, heeft verdachte zich opdringerig gedragen en haar nogmaals onverhoeds in haar bil geknepen. In het licht van hetgeen het Hof blijkens de bewijsvoering heeft vastgesteld omtrent de omstandigheden waaronder verdachte in de billen van aangeefster heeft geknepen, getuigt ’s Hofs oordeel dat sprake is van ‘ontuchtige handelingen’ in de zin van art. 246 Sr niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het toereikend gemotiveerd. Ad 2. Op de gronden die zijn vermeld in de conclusie van de A-G onder 23 t/m 27 moet worden aangenomen dat het Hof bij de bepaling van de straf ex art. 423.4 Sv m.b.t. het onder 1 bewezenverklaarde feit kennelijk abusievelijk ervan is uitgegaan dat verdachte t.z.v. de in e.a. onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke taakstraf, i.p.v. een voorwaardelijke taakstraf, van veertig uren. Het middel klaagt daarover terecht. Dit behoeft echter niet tot cassatie te leiden, aangezien de HR deze kennelijke misslag kan herstellen.
De uitspraak op rechtspraak.nl