HR 3 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3205

Ne bis in idem i.v.m. ontzegging rijbevoegdheid en ongeldigverklaring rijbewijs. Aan het middel ligt de opvatting ten grondslag dat de door het Hof opgelegde ontzegging van de rijbevoegdheid in strijd is met het aan art. 14.7 IVBPR en art. 68 Sr ten grondslag liggende ne bis in idem-beginsel, aangezien (mede) n.a.v. het i.c. aan verdachte tlgd. feit diens rijbewijs op de voet van art. 134.2 WVW 1994 ongeldig is verklaard. Die opvatting is onjuist. Dat berust op het volgende. De ongeldigverklaring van het rijbewijs is een bestuurlijke maatregel waartoe kan worden besloten ingeval de houder van het rijbewijs blijkens de uitslag van een daartoe o.g.v. art. 131 WVW 1994 ingesteld onderzoek niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke en geestelijke geschiktheid voor het besturen van één of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor het rijbewijs is afgegeven. Deze maatregel wordt dus niet – direct of indirect – opgelegd o.g.v. het plegen van een strafbaar feit, ook al kan de verdenking van zo een feit wel de aanleiding vormen voor voormeld onderzoek. Hetgeen is overwogen in ECLI:NL:HR:2015:434 omtrent de strafvervolging t.z.v. het rijden onder invloed van alcoholhoudende drank in gevallen waarin verdachte o.g.v. datzelfde feit de verplichting tot deelname aan het alcoholslotprogramma is opgelegd, noopt niet tot een ander oordeel, omdat het in dat arrest – anders dan i.c. – kort gezegd ging om de uitzonderlijke situatie waarin twee procedures over een identieke verweten gedraging hun directe oorsprong vonden in hetzelfde feit met sterk gelijkende gevolgen. AG: anders.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken