HR 29 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2884
1. Ingezetenencriterium coffeeshops Maastricht. 2. Medeplegen. Ad 1. Het Hof heeft geoordeeld dat toepassing van het ingezetenencriterium geen ongerechtvaardigde discriminatie oplevert. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd. Daarbij wordt mede het volgende in aanmerking genomen. In het arrest van het HvJEU van 16 december 2010 (C-137/09) in de zaak Josemans tegen Burgemeester van Maastricht m.b.t. het – i.h.k.v. een bestuursrechtelijke procedure aan de orde gestelde – ingezetenencriterium, heeft het HvJEU geoordeeld dat een verbod om niet-ingezetenen tot coffeeshops toe te laten een maatregel is om het drugstoerisme aanzienlijk te beperken en bijgevolg de daardoor veroorzaakte problemen te verminderen en dat het niet incoherent kan worden geacht dat een lidstaat passende maatregelen neemt om het hoofd te bieden aan een massale instroom van inwoners uit andere lidstaten die willen profiteren van de in deze staat gedoogde verkoop van producten die wegens hun aard in alle lidstaten onder een verkoopverbod vallen. Tegen deze achtergrond heeft het Hof zonder miskenning van een discriminatieverbod kunnen oordelen dat toepassing van het onderhavige ingezetenencriterium geen grond oplevert voor n-o verklaring van het OM in de vervolging. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat het OM niet in strijd met het verbod van willekeur heeft gehandeld door verdachte te vervolgen, en daarbij overwogen dat de beslissing t.a.v. de ontvankelijkheid van het OM in de vervolging niet anders wordt als ervan wordt uitgegaan dat in andere "coffeeshopgemeenten" het ingezetenencriterium niet of onvolledig werd gehandhaafd. Ook dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat het optreden van het OM i.c. is gebaseerd op de destijds geldende Aanwijzing Opiumwet van 13 december 2012, die landelijke gelding heeft, en dat het beleid in andere gemeenten onverlet laat dat, zoals in de overwegingen van het Hof naar voren komt, het OM en de burgemeester van Maastricht vanwege de bijzondere problematiek van het drugstoerisme in de grensstreek t.a.v. de coffeeshops in Maastricht het ingezetenencriterium op de door hen gehanteerde wijze hebben mogen en kunnen toepassen. Ad 2. HR herhaalt relevante overwegingen m.b.t. medeplegen uit ECLI:NL:HR:2014:3474. Blijkens zijn overwegingen heeft het Hof voor zijn oordeel dat sprake is van het medeplegen van het opzettelijk verkopen van een hoeveelheid hasjiesj en/of een hoeveelheid hennep i.h.b. in aanmerking genomen dat in de coffeeshop waarin verdachte als portier werkzaam was sprake was van een bedrijfsmatige structuur met een onderlinge rolverdeling met als voornaamste doel de verkoop van cannabis, alsmede dat de portier een wezenlijke rol vervult m.b.t. deze verkoop gezien zijn taak bij het toelaten van personen en de controle op de naleving van de gedoogcriteria, waaronder het ingezetenschap. Uit deze meer algemene omstandigheden volgt niet z.m. dat verdachte aan het verkopen van hasjiesj en/of hennep een materiële of intellectuele bijdrage heeft geleverd van voldoende gewicht om van nauwe en bewuste samenwerking met de verkoper(s) te kunnen spreken. De bewezenverklaring is derhalve ontoereikend gemotiveerd.
De uitspraak op rechtspraak.nl