HR 22 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2780
Niet-ontvankelijkverklaring van verdachte in haar h.b. Het Hof heeft kennelijk doch niet begrijpelijk geoordeeld dat de f&o waaraan de verdediging de conclusie heeft verbonden dat de behandeling van verdachtes zaak op de dag genoemd in de dagvaarding zou worden aangehouden, niet aannemelijk zijn. Voorts geeft ’s Hofs oordeel dat verdachte niet binnen 14 veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat zij “geacht kan worden bekend te (kunnen) zijn” met gedane uitspraak h.b. heeft ingesteld, blijk van een onjuiste opvatting omtrent art. 408.2 Sv, waarin is bepaald dat binnen 14 dagen h.b. moet worden ingesteld indien zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak aan de verdachte bekend is.
De uitspraak op rechtspraak.nl