HR 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:212

OM-cassatie. Beklag. HR verwijst naar ECLI:NL:HR:2006:AV4112 m.b.t. het summiere karakter van het onderzoek in raadkamer n.a.v. een bezwaarschrift a.b.i. art. 262 Sv. Het Hofs heeft geoordeeld dat het “hoogst onaannemelijk’ is dat de strafrechter, later oordelend, tot een bewezenverklaring van het aan verdachte onder 2 en 3 tlgd zal komen, nu moet worden aangenomen dat verdachte onrechtmatig is aangehouden en dat de in de tll. genoemde bestanden met kinderpornografisch materiaal zijn verkregen als rechtstreeks gevolg van die onrechtmatige aanhouding. Gelet op het summiere karakter van het onderzoek en de aard van de hier geldende, tot terughoudendheid nopende, maatstaf of het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, door de voor hem geleverde bewijsvoering het tlgd. geheel of gedeeltelijk bewezen zal verklaren, is, zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het hof – dat in zijn overwegingen niet kenbaar aandacht heeft besteed aan het in ECLI:NL:HR:2013:BY5321 gegeven toetsingskader voor de beoordeling van aan een eventueel vormverzuim i.d.z.v. art. 359a Sv te verbinden rechtsgevolgen – niet duidelijk heeft gemaakt waarom de door hem aan zijn oordeel ten grondslag gelegde omstandigheden zo evident tot bewijsuitsluiting leiden, dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter tot enige bewezenverklaring van het onder 2 en 3 tlgd. zal komen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken