HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4112
Bezwaarschrift tegen dagvaarding. Het onderzoek in raadkamer n.a.v. een bezwaarschrift ex art. 262 Sv draagt een summier karakter. Wanneer in zaken als deze een op art. 262 jo. art. 250 Sv gegrond juridisch verweer wordt gevoerd, is de rechter verplicht zich over de al dan niet doeltreffendheid van het verweer uit te laten, zulks evenwel met inachtneming van evenbedoeld summier karakter van het onderzoek. Dit brengt mee dat een rechtsoordeel, gegeven n.a.v. de verwerping van een dergelijk verweer, een voorlopig karakter niet kan worden ontzegd. E.e.a. klemt temeer wanneer een zodanig oordeel - dus een oordeel in deze stand van het geding - verweven is met een waardering van feitelijke aard. Het hof is kennelijk ervan uitgegaan, dat o.g.v. de in deze stand van het geding bekende feiten en omstandigheden voorhands niet aannemelijk is geworden dat aan verdachte een beroep op de in art. 69.3 AWR bedoelde inkeerbepaling toekomt. Aldus heeft het hof zonder de hiervoor weergegeven maatstaf uit het oog te verliezen het namens verdachte gevoerde verweer verworpen op gronden die – mede gelet op het tijdstip waarop verdachte en zijn medeverdachte de informatie hebben verschaft – niet onbegrijpelijk zijn. In het woord "voorshands” ligt immers besloten dat het hof, als rechter in raadkamer in deze stand van het geding het verweer verwerpend, onverlet laat het oordeel van de rechter die t.z.t. heeft te oordelen n.a.v. het onderzoek ter terechtzitting.
De uitspraak op rechtspraak.nl