HR 7 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1833

Antilliaanse zaak. Getuigenverzoeken. 1. Het middel steunt op de opvatting dat ex art. 318.7 en art. 321 Wetboek van Strafvordering van Sint Maarten (hierna: SvM) slechts met toestemming van verdachte, die te dezen niet is gegeven, van het verhoor en van de (hernieuwde) dagvaarding van in het middel genoemde getuigen kon worden afgezien. De regeling van art. 318.7 en 321 SvM komt in de kern overeen met die van art. 280.4 (oud) en 282 (oud) Sv, zoals deze heeft gegolden tot de invoering van de Wet herziening onderzoek ter terechtzitting per 1 februari 1998 (Stb. 1998, 3). Daargelaten dat op niet-naleving van art. 321 en art. 318.7 SvM geen nietigheid is gesteld, vloeit die nietigheid in gevallen als de onderhavige ook niet voort uit de aard van de niet-inachtgenomen vormen. In dat verband wijst de HR erop dat in sedert HR 28 maart 1944, NJ 1944/402 bestendige jurisprudentie is aangenomen dat het voorschrift van art. 282 (oud) Sv inzake de oproeping van een op de getuigenlijst voorkomende doch niet verschenen getuige, niet geldt in gevallen dat een hernieuwde oproeping reeds van te voren nutteloos of overbodig moet worden geacht. Er bestaat geen grond t.a.v. de vergelijkbare bepaling van SvM anders te oordelen. Ook de wetsgeschiedenis bevat geen aanknopingspunten voor zo een andersluidende wetsuitleg. ’s Hofs door het middel aangevallen beslissingen getuigen derhalve niet van een onjuiste rechtsopvatting. Zij zijn in het licht van de door het Hof vastgestelde f&o ook niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. 2. Het Hof heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk uit (i) de opmerking van de raadsvrouwe dat het zoeken naar de getuigen op gegeven moment moet ophouden en (ii) het achterwege blijven van een uitdrukkelijk en gemotiveerd verzoek X als getuige te horen, afgeleid dat de verdediging, nadat het niet gelukt was om X op St. Kitts te horen, geen prijs meer stelde op het horen van X als getuige. Het in het bestreden vonnis besloten liggende oordeel van het Hof dat de in het opsporingsonderzoek afgelegde verklaringen van X voor het bewijs van het tlgd. kunnen worden gebruikt, getuigt - mede in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen - niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Middelen voor het overige: art. 81.1 RO. Ambtshalve: strafvermindering wegens overschrijding redelijke termijn in cassatie.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen