HR 2 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1450
OM-cassatie en cassatie verdachte. Beklag. Middel OM: HR geeft toetsingskader m.b.t. het door de Rb. verlenen van verlof a.b.i. art. 552p.2 Sv. Volgens art. 552p.2 worden in de daar bedoelde gevallen de daar vermelde stukken en gegevensdragers ter beschikking gesteld aan de OvJ onderscheidenlijk aan buitenlandse autoriteiten afgegeven v.zv. de Rb. daartoe verlof heeft verleend. Een daartoe strekkende vordering van de OvJ is niet vereist. Daarom is in een procedure als i.c. geen plaats voor een niet-ontvankelijkverklaring van de OvJ in zijn vordering. Als uitgangspunt heeft te gelden dat, indien een rechtshulpverzoek is gegrond op een verdrag - zoals i.c. het geval is - op grond van art. 552k.1 Sv aan dat verzoek zoveel mogelijk het verlangde gevolg dient te worden gegeven. Deze bepaling dient aldus te worden verstaan dat slechts van inwilliging van het verzoek kan worden afgezien indien zich belemmeringen van wezenlijke aard voordoen die voortvloeien uit het toepasselijke verdrag onderscheidenlijk de wet, in het bijzonder art. 552l Sv, dan wel indien door de inwilliging van het rechtshulpverzoek wordt gehandeld in strijd met fundamentele beginselen van Nederlands strafprocesrecht (vgl. ECLI:NL:HR:2002:ZD2927). Het kennelijke oordeel van de Rb. dat inwilliging van het rechtshulpverzoek v.zv. dat betrekking heeft op inbeslaggenomen “e-mails aan of van geheimhouders” - door haar “geheimhoudersstukken” genoemd - in strijd zou zijn met fundamentele beginselen van Nederlandse strafprocesrecht, en dat daaraan niet afdoet dat deze e-mails niet onder een verschoningsgerechtigde doch onder klagers dan wel een van hen zijn inbeslaggenomen. (Vgl. HR 19 november 1985, NJ 1986/533) wordt in cassatie terecht niet bestreden. Tot het oordeel dat een rechtshulpverzoek om voormelde reden niet vatbaar is voor inwilliging, zal de rechter slechts kunnen komen indien hij naar aanleiding van een daartoe ingesteld onderzoek heeft vastgesteld dat het daadwerkelijk gaat om stukken die onder een verschoningsrecht vallen. Indien de rechter - bijvoorbeeld in verband met de aard of de omvang van de inbeslaggenomen gegevens - niet in staat is zelf dat onderzoek te verrichten, zal hij het daarheen dienen te leiden dat het onderzoek wordt verricht door zodanige functionaris en op zodanige wijze dat is gewaarborgd dat het verschoningsrecht niet in het gedrang komt. Het oordeel van de Rb. dat bij de door haar geschetste “stand van zaken”, waaronder de omstandigheid dat zij slechts de beschikking heeft gekregen over een zeer klein gedeelte van de inbeslaggenomen stukken hetgeen het verrichten van zelfs oppervlakkig onderzoek onmogelijk maakte, slechts verlof tot afgifte kon worden verleend voor de door klagers als daartoe geschikt aangemerkte stukken en dat de OvJ voor het overige in zijn vordering n-o diende te worden verklaard, is, nu de Rb. niet ervan blijk heeft gegeven bij haar oordeel te hebben betrokken dat en waarom een (nader) onderzoek als hiervoor bedoeld niet mogelijk was, behalve onjuist ook niet begrijpelijk. Middel verdachte: art. 81.1 RO.
De uitspraak op rechtspraak.nl