HR 12 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1230

Herziening. Veroordeling wegens opruiing tot genocide in Rwanda. Intrekking Nederlanderschap met terugwerkende kracht. Vervallen van rechtsmacht? Art. 5 Uitvoeringswet genocideverdrag, art. 2.1 en 14.1 Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). Gesteld noch gebleken is dat de beschikking waarbij het Nederlanderschap is ingetrokken onherroepelijk is, zodat die beschikking reeds daarom geen novum oplevert. Ook indien veronderstellenderwijs wordt uitgegaan van onherroepelijkheid van de beschikking leidt dit i.c. niet tot een ander oordeel. De wetsgeschiedenis bij art. 14.1 RWN bevat geen enkel aanknopingspunt voor de opvatting dat bij het tot stand brengen van art. 14.1 RWN onder ogen is gezien - laat staan is beoogd of aanvaard - dat de terugwerkende kracht van de intrekking van het Nederlanderschap zou kunnen leiden tot de doorkruising van voordien gewezen beslissingen van de NL’se rechter in een strafzaak tegen de betrokkene, en meer i.h.b. een strafzaak waarin de rechtsmacht afhankelijk was van het Nederlanderschap van betrokkene. Gelet hierop houdt de HR het ervoor dat art. 14.1 RWN niet ertoe strekt of leidt dat het met terugwerkende kracht intrekken van het Nederlanderschap van een veroordeelde met terugwerkende kracht tot gevolg heeft dat t.t.v. de beslissing in een NL’se strafzaak tegen de betrokkene bestaande rechtsmacht alsnog vervalt. De intrekking van het Nederlanderschap van aanvraagster kan daarom niet worden aangemerkt als een gegeven a.b.i. art. 457.1 aanhef en onder c Sv. Afwijzing aanvraag.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen