HR 8 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:865

Beklag, beslag. OM-cassatie. Art. 94 Sv, art. 552a Sv. De Rb heeft bij de beoordeling van het klaagschrift weliswaar het juiste toetsingskader vooropgesteld, maar de aan te leggen maatstaf niet juist toegepast. Aan haar oordeel dat het belang van strafvordering niet meer kan verlangen dat het beslag wordt voortgezet, heeft de Rb ten grondslag gelegd dat “thans door het OM onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat (illegale) gelden van de belanghebbende zijn gebruikt om de inbeslaggenomen voorwerpen (…) aan te schaffen”. Hiermee heeft de Rb als haar oordeel tot uitdrukking gebracht dat niet ervan kan worden uitgegaan dat aan de – in art. 33a.2.a Sr gestelde – voorwaarden is voldaan voor v.v. van voorwerpen die toebehoren aan een ander dan de veroordeelde. Daardoor is de Rb, die in dit verband had moeten beoordelen of niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de v.v. van die voorwerpen zal bevelen, vooruitgelopen op de mogelijke uitkomst van een nog te voeren procedure in de hoofdzaak. De beslissing van de Rb is ontoereikend gemotiveerd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen