HR 18 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:652

Profijtontneming. 1. Art. 511g.2 en art. 359.3 Sv. 2. Art. 36e.7 Sr hoofdelijke aansprakelijkheid. Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2013:BT6251 en ECLI:NL:HR:2007:BA0424. De door het Hof gevolgde werkwijze voldoet aan de eisen die door de HR zijn gesteld. V.zv. het middel klaagt dat de voor het bewijs gebezigde p-v’s enkel de conclusies bevatten van de verbalisanten die de desbetreffende rapportages hebben opgemaakt, maar niet de daaraan ten grondslag gelegde f&o, is het tevergeefs voorgesteld. De schatting van het w.v.v. is toereikend gemotiveerd. Ad 2. Art. 36e.7 Sr houdt een wijziging van wetgeving in t.a.v. de toepasselijke regels van sanctierecht. O.g.v. art. 1.2 Sr dient bij verandering van wetgeving na het tijdstip waarop het feit is begaan, de voor de betrokkene gunstigste bepalingen te worden toegepast. ’s Hofs oordeel dat “deze wetsbepaling niet valt onder artikel 1 van het Wetboek van Strafrecht nu het geen materiële (extra) sanctie betreft maar louter een executiemodaliteit en derhalve direct toegepast kan worden”, geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken